Anoek Nuyens | Stadsresident Vooruit Gent
1452

Stadsresident Vooruit Gent

IMG_0438 (2)

 MEI 2017 / STADSRESIDENT / DE VOORUIT / GENT

Sinds augustus 2012 volgt en ondersteunt Kunstencentrum Vooruit (Gent) onder de noemer Stadsresidenten een groep jonge kunstenaars die de publieke ruimte als hun werkplaats beschouwen. Vooruit wil deze kunstenaars vanuit hun stadsresidenties uitdagen om begrippen als engagement, stedelijkheid, publieke ruimte, actie en activisme gedurende een lange periode te onderzoeken, in de praktijk te brengen en te documenteren.

In 2017 werken o.a. Peter Aers, Lucinda Ra, Elly Van Eeghem, Maria Lucia Cruz Correia, Yinka Kuitenbrouwer, Naomi Kerkhove en Anoek Nuyens als Stadsresident.

 

 

 

 

 

 

 

STADSBLOG

 

DAG #3

Ik zit op het terras van de Vooruit in Gent. De zon schijnt fel. Zo fel, dat ik voor het eerst in lange tijd mijn broek zou kunnen opstropen, maar als ik een stukje optil, zie ik mijn melkwitte winterbenen. Beter van niet, denk ik. Terwijl ik ze weer zorgvuldig bedek, komt de ober aanlopen met een glas rode wijn. Normaal drink ik niet in de middag, maar ze zijn mijn bord spaghetti vergeten brengen. Deze rode wijn is de goedmaker.

Ik lach naar hem en hij naar mij. Hij vraagt of ik hier op vakantie ben. Ik leg hem uit dat ik op uitnodiging van de Vooruit een maand onderzoek kom doen als stadsresident. Hij kijkt me nieuwsgierig aan. ‘Naar foute Belgen’, floep ik eruit. Het is gek hoe dat werkt. In België ben ik altijd veel directer dan in Nederland. Misschien omdat ik – onbewust? – het idee heb dat dat van me verwacht wordt: de representatie van de lompe Hollander.

Een aantal jaar geleden schreef ik een stuk over Vlaamse collaborateurs in België. Ik herinner me vooral dat het grote moeite kostte om er iets over te kúnnen schrijven: de collaboratie-archieven zaten potdicht en in tegenstelling tot in Nederland wordt er niet makkelijk over gesproken. Ik schreef het College van de procureurs-generaal, dat de archieven beheert, naar de reden. Hun antwoord was kort en krachtig: uit angst voor het oplaaien van ‘bepaalde passies’ en een ‘verstoring van de openbare orde’.

Nogal cryptisch. Want waar zijn ze dan precies bang voor? Opa’s en oma’ die met bakstenen de straat op gaan? N-VA-aanhangers die zich nog verder in hun bubbel terugtrekken? Ik kijk naar de overwegend jonge mensen op het terras. Als je bedenkt dat een half miljoen Vlamingen afstamt van een collaborateur zullen er hier vast een paar kleinkinderen tussen zitten. Zouden ze weten, vraag ik me af, dat de Duitsers ooit dit gebouw hebben bezet?

Want naast socialistisch huis, feestlokaal, supermarkt, poppodium en biljartzaal was het huidige kunstencentrum tijdens de Tweede Wereldoorlog ook een nazi-bolwerk. Terwijl ik aan mijn rode wijn zip, blader ik door het 600 pagina-tellend boek over de geschiedenis van de Vooruit dat op mijn schoot ligt. Er staat in dat er ‘weinig met zekerheid bekend is’ over wat de Duitsers – naast bier drinken – in het feestlokaal uitvoerden en wie erbij betrokken waren. Een ober weet wel te melden dat er veel gegeten werd. En er gaan geruchten dat er in de concertzaal varkens rondliepen. Dat laatste is overigens nooit bewezen. Maar goed. Niemand herinnert zich dus iets.

Maar is dat erg? Is het erg dat waarschijnlijk niemand op dit terras iets weet over de geschiedenis van dit gebouw? Is het daardoor minder prettig vertoeven hier? Moeten we dan alles onthouden? ‘Remembering is an ethical act’, schreef de Amerikaanse essayiste Susan Sontag in ‘Regarding the Pain of Others.’ En ze heeft gelijk: je persoonlijke en politieke geheugen bepaalt de manier waarop je hier en nu naar dingen kijkt, hoe je ze ervaart en uiteindelijk interpreteert. En toch huist er ook een schoonheid in dingen vergeten. Want waarover, vraag je je af als je een vriend waarmee je ooit gebroken hebt na lange tijd weer ziet, ging die ruzie ook alweer? Of denk aan moeders: doordat zij de pijn van de geboorte vergeten, worden ze zo weer zwanger.

Maar in het geval van onze verborgen foute geschiedenis vergeten we niet, maar verzwijgen we. Daardoor verdwijnt het niet, maar is het juist altijd aanwezig. Als een olifant staat het middenin de kamer en wordt het een kweekvijver voor schuld, schaamte en zelfhaat. Want ook al zijn de betrokkenen allang overleden: juist kinderen en kleinkinderen van collaborateurs kampen vaker dan gemiddeld met psychologische problemen (zie: werkgroepherkenning.nl). Door erover te praten, de archieven te bezoeken en het bespreekbaar te maken ontzenuw je de schuldscenario’s die door al dat zwijgen vaak zijn uitgegroeid tot absurde proporties.

Zoals historicus Chris van der Heijden schrijft in zijn artikel ‘Onnozele Geiten’, hebben we ons in de Nederlandse geschiedschrijving van de Tweede Wereldoorlog vooral gericht op het verzet tegen de nazi’s en op de slachtoffers van het regime. Dat is begrijpelijk, maar die collectieve focus op het verzetsverleden is ook pijnlijk, zeker als je weet dat juist vanuit Nederland de meeste Joden van heel West-Europa gedeporteerd werden: maar liefst 75 procent van de Joodse Nederlanders – tegenover bijvoorbeeld 40 procent in België en 25 procent in Frankrijk. In Duitsland had je als Jood zelfs meer overlevingskans dan in Nederland.

Wie in Nederland het Nationaal Archief bezoekt en door de collaboratiedossiers bladert – in Nederland zijn ze sinds 2000 openbaar – begrijpt wel waarom de herinnering aan dit verleden zo ongemakkelijk is. Het archief stikt van de voorbeelden van wat je ‘het kleine kwaad’ zou kunnen noemen: het kwaad van de ‘foute’ Nederlander die deed wat hem werd opgedragen. De oma die onder de Hitlerjugend-vlag gymnastiekoefeningen uitvoerde in de achtertuin, in de hoop zo meer eenheid onder de jeugd te creëren. De opa die zijn gezin wilde onderhouden en niet belezen genoeg was om te beseffen wat een NSB-lidmaatschap allemaal inhield. Zulke verhalen maken het lastig om nog langer in zwart-wit-termen over ‘goed’ en ‘fout’ na te denken.

Steeds meer archivarissen, historici en kinderen van ‘foute’ ouders beweren dat we inmiddels toe zijn aan het perspectief van de dader. Van der Heijden, historicus en kind van ‘foute’ ouders, schrijft zelfs dat het ‘foute’ verleden van families in Nederland niet langer taboe is: ‘Het NSB-lidmaatschap van een familie is bespreekbaar.’ ‘Maar’, zo voegt hij eraan toe, ‘bespreekbaar is niet hetzelfde als aanvaarden.’

Het aanvaarden van klein kwaad is heel anders dan het kwaad dat we zien bij, bijvoorbeeld, een afbeelding van een massagraf, een concentratiekamp of een executie. Van dát kwaad kun je beven en huiveren. Het staat ver van je af, gaat aan de verbeelding voorbij. Het kleine kwaad, dat je in veel collaboratie-dossiers tegenkomt, komt veel dichterbij: dat is het soort kwaad waarvan het niet onvoorstelbaar is dat het ook in jezelf zit.

Ik sla mijn boek dicht en besluit, misschien door de wijn, dan toch maar mijn broek op te stropen en terwijl ik dat doe neem me voor hier in België  mijn eigen familiegeschiedenis ook maar eens uit te zoeken – mijn betovergrootvader komt uit Lier. Bij de N van Nuyens had ik in het Nederlands collaboratie-archief alvast 35 hits. Dus iedere Nuyens met een verborgen verleden: meld u.

Maar deze oproep geldt eigenlijk voor iedereen: kom naar de Vooruit. Vraag bij de balie naar mijn naam. Dan trakteer ik je op een glas wijn en lopen we daarna door het gebouw en teken ik alles op wat u zich nog herinnert. Zo kunnen we nog een functie aan de geschiedenis van de Vooruit toevoegen: die van een plek waar je naartoe gaat om te vertellen wat elders niet lukt. Het theater als huis voor het onzegbare, als alternatief archief van een verborgen geschiedenis.

Deze blog verscheen ook op rekto:verso.be

AnoukNuyens3.png

 

DAG #2

FullSizeRender-12